My House, I Say

Het afgelopen weekend waren we sinds lange tijd weer eens met z’n vijven. Rinke, onze dochter had net twee weken quarantaine in ons huis erop zitten nadat ze haar reis door Azië vervroegd had afgebroken, Rommert had geld voor de trein vanuit Maastricht en Freek had tijd. Het was erg gezellig en we zijn gelukkig allemaal gezond, maar wat een spullen brengen die gasten met zich mee. Het begon al in de gang waar Freek zijn slotloze racefiets had geplant en het ging verder in de woonkamer waar de puzzel van Rinke de gehele salontafel in beslag nam en neemt. De slaapkamer die ik een half jaar geleden had omgetoverd tot kantoorruimte ligt nu bedolven onder Rommert’s kleren. Behalve het geven van Engelse les, geef ik ook graag interieur styling advies onder de naam, Villa vol Stijl, maar de laatste tijd heeft die naam niet echt betrekking op onze woning. Gelukkig vinden onze kinderen altijd wel iets in dit huis wat ze kunnen gebruiken in hun studentenhuizen, en dat ruimt lekker op. Zo heeft Rommert nog ruimte in zijn tas voor een leuk kussen en heeft Freek wat lijsten voor aan de muur ingepikt. Rinke heeft mijn auto mee. Kijk, dat vind ik dan weer minder. 

Robert Louis Stevenson is ook van mening dat het huis waarin hij woont van hem is. Mooi niet dus, de werkelijke eigenaren zijn de duiven, de kat en de hond. De reebok die dacht dat hij enige zeggenschap had over de tuin die hij had kaalgevreten, mag er tegenwoordig alleen nog maar van een afstandje naar kijken.

 

My house, I say. But hark to the sunny doves

That make my roof the arena of their loves,

That gyre about the gable all day long

And fill the chimneys with their murmurous song:

Our house, they say; and mine, the cat declares

And spreads his golden fleece upon the chairs;

And mine the dog, and rises stiff with wrath

If any alien foot profane the path.

So too the buck that trimmed my terraces,

Our whilome gardener, called the garden his;

Who now, deposed, surveys my plain abode

And his late kingdom, only from the road.